mei 19, 2011 12:24 pm •
Het is een veelgehoorde kreet: ‘binnen afzienbare termijn komt Nederland veel handen te kort voor de groeiende zorgbehoefte die op ons afkomt’.
Het is echter maar zeer de vraag of dit alleen gaat om de behoefte aan zorg. In die stelling is een fors aantal aannames meegenomen.
Eén van de meest fundamentele daarvan is de aanname dat die groeiende zorgbehoefte inderdaad een zorgbehoefte is. In mijn ogen is er een groot gebrek aan inzicht in de vraag wanneer er sprake is van een vraag om zorg en wanneer het een vraag om aandacht betreft.
Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat een substantieel deel onder de ‘vermomming’ van zorgbehoefte feitelijk een schreeuw om attentie en medeleven betreft. Het is in onze maatschappij legitiem om een zorgvraag te stellen. Daar zijn structuren voor ingericht met bijpassende vergoedingsmogelijkheden en maatschappelijke acceptatie.
Erkenning bij zowel de betrokken persoon als de zorgprofessionals van het gegeven dat iets anders dan zorg de meest passende begeleiding is, lijkt op dit moment toch minder geaccepteerd.
Daarnaast is het beslist opportunistisch om te veronderstellen dat het ‘leveren van handjes’ de enige manier is om zorg te leveren. Alternatieven en preventieve maatregelen blijven daarbij onderbelicht. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van woonzorgtechnologie, de inzet van de nieuw gevormde anderhalve lijnszorg, het inregelen van wijkgericht werken en het uitrollen van buurtzorgachtige concepten.
De kwestie of het gaat om wel of niet geïndiceerd zijn van de zorg — of aandacht — is in de toekomst naar verwachting nog slechts een ondergeschikte financieringsvraag.
Terugkomend op de stelling dat onderscheid in de pure zorgvraag en het geven van aandacht meer passende en betaalbare antwoorden biedt, zullen we dus onze aandacht moeten verleggen naar het onderkennen en onderscheiden van vraagstellingen.







